Zoeken

Het Talige Brein

Categorie

agenda

SNL2014 dag 3: Michael Tomasello over de evolutie van communicatie

ImageDisplay.phpMichael Tomasello is ontwikkelingspsycholooog en directeur van het Max-Planck Instituut voor evolutonaire antropologie in Leipzig. Hij doet onderzoek naar de verschillen in communicatie tussen mensen en mensapen. In zijn lezing tijdens de Society for Neurobiology of Language conferentie in Amsterdam betoogde hij dat kinderen al in de vroege ontwikkeling communicatieve vaardigheden bezitten die apen nooit kunnen leren. Maar hij benadrukte dat die communicatie maar voor een klein deel bestaat uit taal: ‘Language is the icing on the cake of unique human communication’. Juist non-verbale communicatie door middel van gebaren is volgens hem evolutionair gezien het oudste. Het sociale aspect, nodig voor de ontwikkeling van cognitie en taal, is hét verschil tussen mensen en apen.

Niet-talige gebaren, zoals wijzen of iets uitbeelden, worden volgens Tomasello gekenmerkt door het feit dat ze ontstaan zijn en gebruikt worden zonder conventies (afspraken of regels). Hij betoogt dat het bestuderen van juist niet-talige communicatie een heleboel kan vertellen over ons gebruik van taal, een systeem dat juist niet zonder conventies kan bestaan. Want hoe zou je weten wat het woord ‘stoel’ betekende als niemand je dat ooit had geleerd? Tomasello betoogt dat talige conventies alleen mogelijk zijn als de gedeelde infrastructuur voor communicatie al ontwikkeld is. Spreken is dus eigenlijk een continuering van wat al, zonder regels, met gebaren gedaan kan worden.

Waar bestaat die ‘gedeelde infrastructuur’ voor communicatie precies uit? Tomasello denkt dat gedeelde ‘intentionaliteit’ hier erg belangrijk is. Dit betekent dat jij en je gesprekspartner hetzelfde doel nastreven zodat je kunt samenwerken, bijvoorbeeld om een mammoet te kunnen vangen. Er zijn twee voorwaarden voor gedeelde intentionaliteit. Ten eerste moet je gedeelde motieven hebben die gericht zijn op samenwerking, bijvoorbeeld om iets te delen, en ten tweede is gedeelde kennis nodig, zoals het focussen van aandacht op hetzelfde onderwerp of object.

Wat is daarvoor nodig? Degene die iets wil communiceren naar een ander moet de intentie kunnen overbrengen of delen, terwijl degene die de boodschap ontvangt juist in staat moet zijn om te begrijpen wat de bedoeling is. Tomasello laat zien dat precies deze twee vaardigheden al zeer vroeg in de ontwikkeling aanwezig zijn bij kinderen, nog voordat ze kunnen praten. Mensapen daarentegen, al zijn ze volwassen en wordt er uitgebreid met ze geoefend, zijn hier niet toe in staat.

'Kids at padi fields' by shizham
Kids at padi fields‘ by shizham

Eerst een voorbeeld van het begrijpen van de bedoeling. Als je speelgoed verstopt onder één van twee bakjes en vervolgens naar het bakje kijkt waaronder het speelgoed verstopt zit, zal een kind van 12 maanden het juiste bakje kiezen. Een chimpansee kan dat niet: die ziet niet het verband tussen het kijken naar het bakje en het feit dat dat relevant zou kunnen zijn voor waar zijn eten verstopt is (want met speelgoed werkt het al helemaal niet bij apen). Tomasello legt uit dat dat komt doordat bij apen de intentie (het motief) tot samenwerken ontbreekt.

Een tweede voorbeeld van het begrijpen van de bedoeling bij kinderen is dat ze snappen dat een gebaar verschillende betekenissen kan hebben afhankelijk van de context, of dat wat eraan voorafging. Wanneer je samen met een kind speelgoed opruimt in een grote bak en wijst naar de speelgoudauto begrijpt het dat het de auto in de bak moet stoppen. Wanneer je echter de kamer binnenkomt en wijst naar de speelgoedauto, zal het kind je de auto aangeven om het je te laten bekijken. Hiervoor moet een kind in staat zijn tot beredeneren wat er voor samenwerking vereist is in een bepaalde situatie. Dit gaat soms natuurlijk fout, bijvoorbeeld als een kind de situatie niet kent. Tomasello vertelde dat hij op het vliegveld een meisje zag dat door de douanier gevraagd werd om zich om te draaien: hij maakte een draaiende beweging met zijn hand om zijn bedoeling uit te beelden. Echter, het meisje draaide zich niet om maar imiteerde zijn handbeweging! Ze begreep niet dat het gebaar een verzoek uitbeeldde.

Tomasello gaf ook een paar leuke voorbeelden van hoe kinderen een bedoeling overbrengen. Chimpansees wijzen alleen naar een object al ze dat willen hebben, kinderen van 12 maanden wijzen ook als ze iets willen laten zien, of iemand over iets willen informeren. Bovendien wijzen kinderen ook naar een bepaald voorwerp als alleen de gesprekspartner daarvoor een beloning krijgt. Apen wijzen alleen als ze ook zelf iets krijgen, niet om een ander belangeloos te helpen.

Tomasello denkt dat kinderen pas taal verwerven na 12 maanden omdat ze daarvoor eerst al die aspecten van communiceren door middel van gebaren moeten leren: aandacht hebben voor hetzelfde object, het begrijpen van gedeelde kennis of context en het beredeneren wat er vereist is om samen te kunnen werken. Pas dan kunnen we woorden op dezelfde manier gebruiken als gebaren.

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort

Advertenties

SNL2014 dag 2: het sprookje van Pascal Fries

Pascal Fries heeft op het Donders Instituut een haast mythologische status. Hij werkte daar van 2001 tot 2009 en was net naar Frankfurt vertrokken om zijn eigen hersenonderzoeksinstituut op te richten, toen ik mijn Donderscarrière begon. Mijn beeld van hem is gevormd door de verhalen die over hem rondgingen: dat hij al op zijn dertigste hoogleraar werd (klopt trouwens niet helemaal, hij werd dat ‘pas’ toen hij 36 was), dat hij alleen maar in de allerbeste wetenschappelijke tijdschriften heeft gepubliceerd (klopt), en dat hij geniaal, briljant, een wonderkind, en heel erg getalenteerd is.

Zo’n beeld schept nogal wat verwachtingen en dan kan een lezing van de held zelf bijna alleen maar tegenvallen, zou je denken. Niets is minder waar: de zaal vol taalwetenschappers hing een uur lang aan zijn lippen, terwijl zijn lezing eigenlijk niets met taal te maken had! Een verslag.

Fbrain_wavesries bestudeert de mechanismen waarmee hersengebieden met elkaar communiceren. Het basisidee is dat groepen hersencellen soms gezamenlijk actief, en soms gezamenlijk passief zijn. Dat levert golfbewegingen van activiteit en rust op (‘oscillaties’), die Fries ‘brain rhythms’ noemt. De golfbewegingen hebben namelijk niet allemaal in hetzelfde ritme (ook wel frequentie genoemd): sommige zijn heel snel, andere heel langzaam (zie het plaatje links). Fries onderzoekt of de ritmes met verschillende ‘frequentiebanden’ ook verschillende functies hebben in neuronale communicatie.

Wat gebeurt er bijvoorbeeld als je naar een appel kijkt? Fries laat zien dat er dan een toename van ‘gamma’ frequentie te zien is in de visuele cortex. Als je naast de appel ook een ander object ziet, bijvoorbeeld een blad, dan strijden die twee objecten eigenlijk om aandacht, omdat je niet met volle aandacht naar allebei tegelijk kunt kijken. Fries’ hypothese is dat het beeld van de appel als het ware doorgestuurd wordt naar hogere verwerkingsgebieden in de hersenen (in paars in het plaatje rechts) als de piek van de gamma activiteit in de vroege visuele cortex net voor het moment komt dat de gamma activiteit in de hogere visuele cortex piekt (zie rode en paarse oscillatie in het plaatje rechts). Als de twee gebieden op die manier mooi gesynchroniseerd zijn, kan er informatie worden verstuurd.fries

Wat gebeurt er nu met het andere object, het blad? In het plaatje zie je dat de groene oscillatie piekt juist als de paarse oscillatie zich op het laagste punt bevindt. Je zou kunnen zeggen dat het blaadje dan voor een dichte deur komt te staan: het hogere visuele gebied kan op dat moment even geen informatie ontvangen. Fries noemt dit met een mooie term ‘windows for communication’. Dit is natuurlijk een leuk idee, maar het bijzondere is dat Fries dit ook echt empirisch heeft onderzocht en het blijkt precies te kloppen.

En hoe zit het nu met die verschillende frequenties? Fries laat zien dat de gamma frequentie vooral belangrijk is voor het versturen van informatie van een vroeg gebied naar een hoger gebied (feed-forward) terwijl de ‘beta’ frequentie juist betrokken is bij feedback, het versturen van informatie van een hoger naar een vroeger gebied. Er zijn dus in de hersenen eigenlijk twee ‘kanalen’ voor communicatie, vergelijkbaar met verschillende frequenties van radiozenders.

Fries’ laatste interessante bevinding is dat er naast gamma en beta nog een derde, langzaam frequentiekanaal te zien is in het spectrum: de ‘theta’ frequentie. Waar is die dan voor nodig? Pas op, het wordt nu een beetje ingewikkeld: de theta frequentie heeft invloed op de synchronisatie van gamma. Denk even terug aan het plaatje met de appel en het blad: gamma in het ‘appelgebied’ liep mooi synchroon met gamma in het hogere (paarse) visuele gebied, terwijl gamma in het ‘bladgebied’ juist niet synchroon liep. Theta heeft invloed op precies de communicatie tussen twee hersengebieden.

En nu komt er een magisch gedeelte in Fries’ lezing: het theta ritme blijkt weer samen te hangen met hoe we de wereld waarnemen, hoe we onze aandacht verdelen over alles wat we om ons heen zien zien en horen. Als we namelijk een appel én een blad willen bekijken, zorgt theta ervoor dat we elke 250 milliseconden onze aandacht van het ene naar het andere object verplaatsen. Ondanks dat we ervaren dat we de twee dingen precies tegelijkertijd zien, is dat dus eigenlijk niet zo: in de hersenen wordt supersnel gewisseld tussen de appel en het blad.

Een fascinerend detail voor de taalonderzoekers: het blijkt dat dit thetaritme ook precies het ritme is waarop spraak is ‘afgesteld’. De frequenties van zinnen, conversaties, interviews en zelfs luisterboeken blijken allemaal op het thetakanaal te zitten. En dat niet alleen in Engels of Nederlands, maar ook in Frans en Chinees. De hersenen vinden dat gewoon een fijne zender om naar te luisteren!

f3ded0c8f5Fries vertelde ons dit allemaal met het grootste geduld en op een manier die voor iedereen te begrijpen was. Want ook voor taalonderzoekers was dit een complex en helemaal nieuw verhaal. Het deed me een beetje denken aan de Troonrede: Fries zat dan wel niet op een troon, maar hij sprak net zo gedistingeerd als koningin Beatrix altijd deed. En vanaf vandaag kan ook ik dus een verhaal toevoegen aan de Dondersmythologie over Pascal Fries: dat hij een Nature artikel kan veranderen in een sprookje.

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort

SNL2014 dag 2: Hoe werkt taal in een natuurlijke context?

Voor deze editie van de Society for the Neurobiology of Language Conferentie kon iedereen een voorstel inzenden voor een symposium: een serie van vier presentaties die allemaal min of meer met hetzelfde onderwerp te maken hebben. Het winnende voorstel kwam van Roel Willems, een van de onderzoekers in ‘ons’ Neurobiology of Language Departement.

15584De titel van het symposium was “A neurobiology of naturalistic language use?”.  De meeste onderzoekers op de conferentie zijn het er waarschijnlijk wel over eens dat taal zoals wij dat bestuderen heel anders is dan taal zoals je dat in het dagelijks leven hoort en gebruikt. Toch bestaat er discussie over of dat eigenlijk wel een probleem is dat nu aangepakt zou moeten worden. Taalverwerking in de hersenen is heel complex, en veel onderzoekers vinden dat we eerst moeten begrijpen hoe we de meest simpele vorm van taal verwerken (woorden en zinnen in isolatie), voordat we überhaupt verder kunnen gaan en bijvoorbeeld kunnen gaan onderzoeken hoe een zin wordt gelezen die in het midden van een spannende roman staat.

Roel zelf gaf het eerste praatje en beargumenteerde waarom we taal inderdaad in een meer natuurlijke context moeten gaan bestuderen. De belangrijkste reden die hij daarvoor gaf was dat onze resultaten misschien wel zouden veranderen als we natuurlijke taal zouden bestuderen. Roel gaf voorbeelden van onderzoeken naar visuele perceptie, waar bleek dat er andere resultaten gevonden werden wanneer onderzoekers gebruik maakten van natuurlijke stimuli (bijvoorbeeld een foto van een drukke straat) dan kunstmatige stimuli (een plaatje met blokjes en streepjes). Dat zou natuurlijk ook voor taalonderzoek het geval kunnen zijn.

'Talking' by Pedro Ribeiro Simões
Talking‘ by Pedro Ribeiro Simões

De vraag die dan overblijft is: hoe gaan we dat aanpakken? Het is niet voor niets dat taalexperimenten vaak weinig met natuurlijke taal te maken hebben. Om betrouwbare conclusies te kunnen trekken is veel controle nodig over wat sprekers horen of zeggen; je kunt niet zomaar twee proefpersonen in de MRI scanner leggen en ze maar wat met elkaar laten praten. De overige sprekers in het symposium gaven daarom alvast wat voorbeelden van hoe we taal in een meer natuurlijke context zouden kunnen bestuderen.

De eerste spreker was Jeremy Skipper (University College Londen), die ons vertelde dat het deel van de hersenen waar geluiden het eerst ‘binnenkomen’ (de auditieve cortex) niet zomaar ieder geluid hetzelfde verwerkt. De neuronen in dat hersengebied maken voorspellingen over wat het volgende zou kunnen zijn wat ze te verwerken krijgen. Om die voorspellingen te kunnen maken, maakt het brein gebruik van zowel talige context (wat was het vorige woord) als niet-talige context (wie is de spreker, wat is de omgeving waarin we ons bevinden, wat heb ik al eens eerder meegemaakt). Daarna liet Giovanna Egidi (Universiteit van Trento) ons zien dat taal in een natuurlijke context anders verwerkt wordt dan bijvoorbeeld een woord of zin in isolatie. Bovendien beperkt context zich niet tot talige of fysieke context: ook het humeur van de spreker (blij of verdrietig) beïnvloedt welke delen van de hersenen actief zijn tijdens het verwerken van taal. De laatste spreker in het symposium, Uri Hasson (Universiteit van Trento) presenteerde een voorstel over hoe een nieuw neurobiologisch model van natuurlijke taalverwerking er dan uit zou kunnen zien.

Op de conferentie van volgend jaar zal blijken of er naar ze geluisterd is!

Lotte Schoot is promovenda in Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort

SNL2014 dag 2: Constance Scharff over babbelende zebravinken

Mensen zijn niet de enige diersoorten die communiceren via taal. Op de tweede dag van de Society for Neurobiology of Language conferentie gaf professor Constance Scharff (Freie Universität in Berlijn) een lezing waarin ze liet zien wat de overeenkomsten zijn tussen het menselijke taalsysteem en dat van de zebravink, een zangvogel, om op die manier meer te begrijpen van taal en hersenen.

C.-Scharff-e1397754367728Dat mensen zo goed zijn in taal en communicatie komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Deze vaardigheden hebben een lange historie en daarom is het interessant om naar de evolutie van taal te kijken. Scharff: ‘De vraag die mij het meest fascineert is: hoe produceren we de geluiden die nodig zijn voor communicatie?’ Sommige dieren kunnen als model dienen om meer te leren over menselijke spraak en taal, ook al bezitten ze slechts één of maar enkele componenten van ons ingewikkelde taalsysteem. Voorbeelden van zulke dieren zijn olifanten, papegaaien, walvissen, vleermuizen en het dier wat Scharff zelf het meest bestudeert: de zebravink, een zangvogel. Wat zijn de overeenkomsten en verschillen tussen de zang van een vogel en menselijke taal en communicatie op het niveau van de hersenen en gedrag?

Er zijn mensen die denken dat taal echt iets unieks menselijks is, bijvoorbeeld omdat dieren niet zo creatief met taal om kunnen gaan als wij en nieuwe betekenissen creëren door het combineren van woorden en grammatica. Scharff betwijfelt dat. Ze begint haar lezing daarom met het uit de weg ruimen van een aantal misverstanden over het het gebruik van taal door dieren. Misverstand één: dieren gebruiken taal alleen voor communicatie met anderen. Dit is onjuist: zebravinken zingen ook wanneer ze alleen zijn. Misverstand twee: dieren zijn niet in staat om betekenis toe te kennen aan objecten. Ook fout: papegaaien kunnen de relatie tussen een object en een geluid leren of aangeven welk object mist. En honden kunnen woorden leren voor een heleboel verschillende dingen.

'Zebra Finches' by NeilsPhotography
Zebra Finches‘ by NeilsPhotography

Scharff bespreekt eerst de overeenkomsten in taalgedrag tussen mensen en dieren, en dat zijn er nogal wat! Ten eerste leren zowel mensen als zebravinken taal door imitatie. Jonge zebravinkjes leren hun taal door te ‘babbelen’, het maken van geluidjes die lijken op die van hun ouders, net als mensenbaby’s doen. Ook sociale factoren zijn van belang voor de taalontwikkeling: zangvogels leren hun zang beter als ze die leren van een echte vogel dan van een cassettebandje.

Scharff laat ons ter illustratie een geweldig audiofragment horen van twee mannetjesnachtegalen die naar elkaar zingen. Zo wil ze laten zien dat vogels, net als mensen, om beurten ‘met elkaar kletsen’. Soms zingen ze elkaar precies na, en wachten ze tot de ander klaar is met zingen voor ze antwoorden. Maar wanneer ze aggressie willen tonen aan hun gesprekspartner, beginnen ze al met zingen voordat de ander zijn zin heeft afgemaakt. Heel herkenbaar toch?

Hoe zit het met de hersenen van zangvogels? Zijn de hersengebieden die zang verwerken vergelijkbaar met de taalgebieden in het menselijke brein? Scharff toont overtuigend aan dat het taalproductiesysteem van zangvogels heel erg lijkt op dat van mensen. Als er in een bepaald gedeelte van de hersenen van zangvogels (gebied X genoemd, in de basale ganglia) een beschadiging optreedt, wordt de zang van zebravinken slecht aangeleerd, laat deze meer variatie zien en worden bepaalde melodieën steeds weer herhaald. Een laesie in het vergelijkbare hersengebied in mensen resulteert in stotteren en andere spraakafwijkingen.

Voor degenen die na Scharffs lezing nog steeds denken dat het menselijke taalsysteem uniek is, heeft ze een duidelijk advies: ‘Claim less, study more!’.

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort

SNL2014 dag 1: Pim Levelt over de ‘sleeping beauties’ van de psycholinguistiek

De Society for Neurobiology of Language meeting, van woensdag 27 tot en met vrijdag 29 augustus in de Beurs van Berlage in Amsterdam (zie ook deze eerdere post), opende gisteren met een lezing van misschien wel de beroemdste onderzoeker in de psycholinguistiek van Nederland: Pim Levelt. Levelt is een zeer beroemde taalonderzoeker, oprichter van het Max Planck Instituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen en was voorzitter van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. De afgelopen jaren werkte Levelt aan een meesterwerk: de gehele geschiedenis van de psycholinguistiek samenbrengen in één boek. In zijn openingslezing deelde hij zijn belangrijkste bevindingen met het publiek van internationale taalonderzoekers.

10292Levelt begon zijn geschiedenis met Franz Joseph Gall, die eind achttiende eeuw als een van de eersten systematisch de neuroanatomie van de hersenen bestudeerde. Gall was ervan overtuigd dat verschillende onderdelen van de hersenen specifieke mentale functies uitvoerden, wat ook wel ‘phrenologie’ genoemd wordt. Levelt illustreerde deze benadering met een beroemde uitspraak van Gall: ‘Show me the forces of the soul, and I will find the organ and the seat thereof’.

Ook al probeerde Gall een verband te leggen tussen hersenstructuur en -functie, hij was niet perse bijzonder geinteresseerd in taal. Vrij snel na hem echter kwamen er meerdere onderzoekers die taal wél als belangrijkste onderzoeksobject namen. De reden daarvoor was dat bepaalde neurologische patienten een specifieke aandoening van hun taalsysteem hadden: zij waren beperkt in het spreken, het vinden van woorden. Later (maar dat wist men toen natuurlijk nog niet) is dit bekend geworden als Broca’s afasie. Het interessante aan die patienten was dat wanneer na hun dood de hersenschade werd geinventariseerd, er altijd een laesie was op een heel specifieke plek in de hersenen. Dat was natuurlijk des te meer reden om aan te nemen dat specifieke mentale functies (hier namelijk taal) gekoppeld zijn aan een bepaald hersengebied, net als Gall eerder al had voorspeld, en wat door Levelt ‘localism’ wordt genoemd.

'Phrenology ad 1871' by William Creswell
Phrenology ad 1871‘ by William Creswell

In de negentiende eeuw keerde het tij echter. Wetenschappers vonden phrenologie maar pseudowetenschap, want het leek ze veel waarschijnlijker dat voor een ingewikkelde mentale functie als taal het hele brein nodig was, het idee van ‘holism’. Het was op een gegeven moment echt not done om te denken dat taal te maken had met één hersengebiedje. En toch was dat precies wat Paul Broca rond 1860 telkens maar weer observeerde in zijn patienten: afasie ging gepaard met een laesie in specifiek de linkerhemisfeer. Levelt liet in zijn lezing aan de hand van citaten zien dat zelfs met zulk sterk bewijs, de heersende ideeën van zijn tijd Broca dwongen tot zeer voorzichtige uitspraken als: ‘Still, no precise localization of functional organs is possible yet’.

Na Broca bleef het toch nog lang onrustig in het kamp van de psycholingluistiek. Wetenschappers bestreden elkaar met argumenten voor en tegen het idee dat taal in één gebied gelokaliseerd is, al werden de ideeën wel steeds genuanceerder. Goldstein schreef in het begin van de twintigste eeuw: ‘The single can only be understood at all from the whole. But instrumentalities of language depend on intact well-localized regions of the brain.’

En wat weten we nu, in 2014? Levelt: ‘Er zijn nog steeds golfbewegingen te zien tussen ‘localism’ en ‘holism’, maar er is geen sprake meer van een conflict tussen twee scholen. Het is langzamerhand een echte wetenschap geworden. We kijken nu in detail naar hoe hersenprocessen precies werken. En dat kan nu ook! We kunnen processen in de tijd, in de gezonde hersenen volgen. Dat is natuurlijk een geweldige stap vooruit.’

Na afloop van zijn lezing vroeg ik Levelt: wat is eigenlijk de belangrijkste ontdekking die u tijdens het schrijven van uw boek hebt gedaan? ‘Er is vroeger ongelooflijk veel bijzonder goed onderzoek gedaan, dat ergens onderweg in de tijd verloren is gegaan. Ik spreek wel eens van sleeping beauties. Ik ontdekte bijvoorbeeld dat er heel belangrijk werk is gedaan naar versprekingen. Alle ontdekkingen die men destijds deed, blijken nog steeds helemaal te kloppen met wat we nu weten. Ook in mijn eigen vakgebied, de spraakproductie, bleken in de jaren tachtig van de negentiende eeuw door James McKeen Cattell al allerlei experimenten te zijn gedaan waarvan ik het bestaan niet wist. Achteraf tot mijn schande…! Wat hij toen allemaal gemeten heeft, klopt nog steeds als een bus.’

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort. Het boek van Pim Levelt ‘A History of Psycholinguistics’ is hier te koop

Opwarmen voor SNL 2014: interview met organisator Peter Hagoort

Deze week zal dé taal-en-hersenenconferentie, SNL2014, plaatsvinden in de Beurs van Berlage in Amsterdam. Wij zullen iedere dag een blogverslag schrijven zodat taligebreinlezers live kunnen meekijken naar de nieuwste wetenschappelijke ontdekkingen in dit onderzoeksveld. Je kunt de conferentie ook volgen op Twitter: @SNLmtg of zoek op hashtag #snlmtg2014. Vandaag een opwarmertje: Peter Hagoort organiseert de conferentie en we vroegen hem om wat meer tekst en uitleg.

'Beurs Van Berlage (Damrak - Amsterdam)' by Sergio Calleja (Life is a trip)
Beurs Van Berlage (Damrak – Amsterdam)‘ by Sergio Calleja (Life is a trip)

Wat is SNL voor een conferentie? 

SNL staat voor Society of the Neurobiology of Language. Elk jaar is er een conferentie waarin de belangrijkste onderzoekers die hersenen en taal bestuderen, bijeen komen. Dit jaar is die bijeenkomst in Amsterdam. Er komen meer deelnemers dan ooit tevoren, zo’n 550.

Met wie ga je zeker even een praatje maken, en waarom?

In de praktijk wordt dat vooral bepaald door de deelnemers zelf. Heel veel mensen willen mij over iets spreken. Daarnaast heb ik als president van SNL allerlei meetings tussendoor, met het bestuur van SNL, met de keynote speakers, met de conferentieorganisatoren. Er zijn ook bijeenkomsten met de redactieraad van tijdschriften, zoals Brain and Language. Er blijft dus weinig tijd over om zelf eens vrij te kiezen met wie ik ga praten. Maar ik spreek wel heel veel mensen tijdens zo’n conferentie.

Wat vind je het leukste/interessantste programmaonderdeel?

Oei, moeilijk te zeggen. Het leukste vind ik juist de afwisseling. We hebben een debat, excellente keynote speakers en slide sessions waarin kort nieuw onderzoek gepresenteerd wordt. Elk van die onderdelen zijn heel boeiend, en de afwisseling maakt dat je je niet snel gaat vervelen.

Gaan de wetenschappers ook nog wat van de Nederlandse taal en cultuur meekrijgen?

Zeker, er is een boottocht door de Amsterdamse grachten. En voor mijn welkomstwoord hebben we een korte film gemaakt waarin ik de deelnemers toespreek met de Nachtwacht en het standbeeld van Spinoza als achtergrond. Bovendien zitten er in de openingsfilm veel beelden van Amsterdam. Maar dit is nog een verrassing. Dus niet verder vertellen!

Arjen Stolk promoveert op communicerende breinen

stolk_thesis_frontcoverVolgende week dinsdag 2 september zal Arjen Stolk zijn proefschrift verdedigen, getiteld ‘On the generation of shared symbols’. De dag ervoor vindt er een symposium plaats waarbij internationale sprekers over dit onderwerp zullen spreken en discussiëren: ‘Towards a neuroscience of mutual understanding’. Vandaag besprak ook de Volkskrant zijn onderzoek.

Begrepen worden is een kwestie van de juiste woorden kiezen, die grammaticaal aaneenrijgen en het gezegde ondersteunen met de juiste gebaren. Toch? Nee, daar komt nog een belangrijk element bij: inspelen op het begrip van de ander.

Neurowetenschapper Arjen Stolk bedacht een slim experiment om de rol van inspelen op elkaars begrip te testen. Iemand vraagt je de weg in het stadscentrum. In je antwoord verwerk je wat je over die ander denkt te weten: spreekt hij met een gek accent of lijkt hij haast te hebben, dan gebruik je bijvoorbeeld andere woorden of kortere zinnen. Stolk laat zien hoe deze processen in de hersenen werken en dat je al vanaf jonge leeftijd in staat bent om je aan te passen aan je partner. Crèche-gaande kinderen vanaf vijf jaar laten die vaardigheid al zien.

‘Wanneer mensen elkaar proberen te begrijpen, zijn hun hersenen niet alleen gefocust op afzonderlijke communicatieve acties zoals woorden en gebaren. Ze lijken voornamelijk rekening te houden met wat ze denken dat de ander weet tijdens het plannen, uitvoeren en observeren van die acties. En die kennis wordt continu ververst, want na feedback over wat de ander begrijpt, pas je je telkens aan. Je stemt constant op elkaar af.’ De beste taal is immers die, die begrepen wordt.

Om dit te onderzoeken ontwikkelde Stolk een simpele maar ingenieuze computertaak (lees hier meer over in een eerdere post op hettaligebrein.nl). Twee proefpersonen moeten samen een opstelling namaken die slechts één van hen te zien krijgt, zonder dat ze daarover met elkaar mogen praten. Ook kunnen ze elkaar niet zien. Ze kunnen alleen informatie uitwisselen door objecten op het scherm te verplaatsen (Figuur 1). Vervolgens laat de computer zien of de door hen gemaakte opstelling goed of fout is en krijgen ze weer een nieuwe doelopstelling voorgeschoteld.

De linkerproefpersoon (blauw) bedient het blauwe object, de rechterproefpersoon (oranje) het oranje object. Alleen de blauwe proefpersoon ziet de doelopstelling. Hij moet vervolgens het blauwe object op de juiste plaats zetten en bovendien een manier verzinnen om de rechterproefpersoon duidelijk te maken waar het oranje object moet komen te staan. De oranje proefpersoon ziet alleen de bewegingen die de blauwe proefpersoon met zijn object maakte, en moet op basis van die informatie het oranje object op de juiste plaats zetten.

Verschillende koppels gebruiken verschillende bewegingspatronen om dezelfde opstellingen aan elkaar uit te leggen. ‘Ieder koppel verzint zo dus eigenlijk een nieuwe taal. En naarmate de koppels beter op elkaar ingespeeld raken, ontwikkelt die taal zich steeds verder.‘ In Stolks’ computertaak is de oplossing met de minste zetten dus niet per se de beste. ‘De gemakkelijkst interpreteerbare oplossing voor je partner is de beste. Het gaat erom dat je bewegingen gebruikt die je medespeler kan begrijpen.’

Stolk liet de proefpersonen de computertaak tegelijkertijd uitvoeren in een dubbele fMRI-scanner. Hij zag een overlap in hersenactiviteit tussen het selecteren van de acties door de linkerproefpersoon en het interpreteren van die acties door de rechterproefpersoon, in de rechtertemporaalkwab van de hersenen. Die activiteit werd sterker naarmate de proefpersonen samen meer opstellingen oplosten en elkaar dus beter begrepen. Ook was de activiteit meer synchroon in tweetallen die gelijktijdig gescand werden. Dat suggereert dat de kennis van elkaars begrip gelijktijd ververst wordt tijdens communicatie.

Arjen Stolk onderzocht hoe ons brein rekening houdt met de vermeende kennis van onze gesprekspartner: dat wat we denken dat de ander weet. Naast woorden, zinnen en grammatica speelt ook die vermeende kennis een belangrijke rol in onze dagelijkse gesprekken.

Stolk liet proefpersonen in tweetallen een non-verbaal computerspel spelen waarin ze met elkaar communiceerden zonder een bestaande taal te gebruiken. De boodschappen in dat spel zijn dus sterk afhankelijk van de vermeende kennis van een gesprekspartner. Metingen van de hersenactiviteit lieten zien dat het brein die vermeende kennis constant gereed houdt en de informatie tegelijk ververst in dezelfde hersengebieden van communicerende mensen.

Bron: http://www.ru.nl/onderzoek/onderzoeksnieuws/@954601/nieuwe-taal/

Verslag van een wetenschappelijke conferentie over taalproductie

De International Workshop on Language Production (IWOLP) is een tweejaarlijkse conferentie waar onderzoekers over de hele wereld samenkomen om de resultaten van hun onderzoek naar het spreken van taal (‘taalproductie’) te delen met anderen. Dit jaar was de conferentie in Geneve (Zwitserland), van 16 tot 18 juli. De taalproductie onderzoekers van het Neurobiology of Language Departement waren goed vertegenwoordigd tijdens deze workshop.

'Lake Geneva' by Travis Wise
Lake Geneva‘ by Travis Wise

Dan Acheson was uitgenodigd om een van de hoofdlezingen te geven, getiteld “Monitoring and Control in Language Production”. Tot voor kort bestudeerden onderzoekers taal enerzijds en de executieve functies van het brein anderzijds als twee individuele processen in het brein. Dan besprak tijdens zijn lezing hoe hij probeert deze twee functies van het brein bij elkaar te brengen. Hij besprak verschillende experimenten die hij samen met zijn studenten en collega’s heeft uitgevoerd, en stipte hierbij zowel de successen als de mislukkingen aan. Dat laatste bood de mogelijkheid om samen met de andere onderzoekers op de conferentie te discussieren over de valkuilen die voorkomen bij het interpreteren van resultaten in de cognitieve neurowetenschappen.

Naast Dan waren er ook nog twee promovendi aanwezig op de conferentie. Matthias Franken en Jolien ten Velden gaven beiden een posterpresentatie aan de hand waarvan zij hun onderzoek uitlegden aan andere wetenschappers. De poster van Matthias ging over zijn MEG (magneto-encefalografie) experiment, waarin hij onderzocht hoe het terugluisteren van je eigen spraak taalproductie beïnvloedt. Jolien presenteerde de resultaten van haar fMRI (functional magnetic resonance imaging) experiment, waarin zij onderzocht of we dezelfde hersengebieden gebruiken voor het oplossen van conflicterende informatie in taalproductie als in andere cognitieve processen. Beide posters trokken veel publiek, wat leidde tot interessante en inspirerende discussies.

Dan, Matthias en Jolien vonden de workshop een groot succes; ze hebben er veel ideeen opgedaan waarmee ze nu weer aan de slag kunnen in Nijmegen.

Peter Hagoort op Radio 1 over gedachtenlezen

eenvandaagOp 13 mei gaf Peter Hagoort een interview op Radio EenVandaag naar aanleiding van het promotieonderzoek van Irina Simanova, waar je eerder over kon lezen op hettaligebrein.nl. Je kunt het gesprek hier terugluisteren.

Je collega stinkt vreselijk uit zijn mond. Je schoonmoeder komt nét iets te vaak bij je over de vloer, en je vriendin is eigenlijk veel te dik. Het zijn van die dingen die je soms denkt, maar liever niet zegt. De Radboud Universiteit Nijmegen maakt nu een einde aan ons subtiele zwijgen. Hersenwetenschapper Peter Hagoort ontdekte samen met promovendus Irina Simanova hoe we gedachtes kunnen lezen. In Radio EenVandaag vertelt Hagoort hoe het onderzoeksteam gedachtes leest. Kunnen we nu nooit meer iets voor ons houden?

Bron: eenvandaag.nl

 

Blog op WordPress.com.

Omhoog ↑