Geschreven door: Peter Hagoort
Zij zijn ons brein: Peter Hagoort geeft antwoord op de commentaren en vragen van de lezers van De Correspondent

Zoals te verwachten roept mijn betoog gemengde reactes op. Reacties die ik niet allemaal kan beantwoorden. Ik zal proberen enige verdere verduidelijking te geven bij aspecten van mijn verhaal die niet bij een ieder op de door mij beoogde wijze zijn overgekomen.

Robots zijn geen mensen.

Dieren zijn dat evenmin. Wel is het zo dat complexe machines kunnen leren, grote hoeveelheden informatie kunnen opslaan en bewerken; en dat op een zodanige manier dat we de neiging hebben dat als intelligent gedrag te zien.

 

Intelligent gedrag zou, zo stellen sommigen, alleen kunnen worden gerealiseerd door de legodoos van het menselijk brein; dat zijn neuronen en hun verbindingen.

Niemand heeft echter kunnen aangeven wat dan precies neuronen en hun verbindingen die unieke kwaliteiten geeft. Het is zeer wel denkbaar dat andere vormen van hardware eigenschappen hebben die een of andere vorm van intelligentie  mogelijk maken. Of dat ooit zal gebeuren is een empirische kwestie. Maar er zijn mij geen overtuigende argumenten bekend die dat bij voorbaat uitsluiten, zoals er al evenmin overtuigende argumenten zijn die het bestaan van intelligent leven ergens elder in het universum uitsluiten. Het zou wel zeer toevallig zijn als dat leven op een verre exoplaneet eveneens uit dezelfde zenuwcellen en zenuwbanen is opgebouwd als het menselijk brein.

 

Of robots gevoelens en een innerlijk leven hebben, zullen we wellicht nooit weten.

Maar die absolute zekerheid heb ik al evenmin bij mijn medemensen. Ook al kunnen we de activiteit in het brein meten die samengaat met de ervaring van pijn, en ook al kan iemand mij meedelen in pijn te zijn, wil dat nog niet zeggen dat ik daardoor de pijnbeleving van de ander kan ervaren. Ik kan hooguit aannemen dat die niet veel anders is dan mijn eigen pijnervaring onder vergelijkbare omstandigheden. Dit staat in de filosofie bekend als het qualia-probleem, ook wel “the hard problem” genoemd. Ook bij mijn medemensen ga ik uit van uiterlijke kenmerken (huilen, au roepen, verbale mededelingen) om daaruit de aard van de innerlijke beleving af te leiden. We kunnen daarbij gefopt worden. Er is geen reden om aan te nemen dat we niet op vergelijkbare wijze gefopt kunnen worden door het gedrag van dieren of complexe machines.

 

In de Verenigde Staten werd enkele jaren geleden aan eenzame bejaarden bij wijze van proef het speelgoedhondje Aibo te leen gegeven voor een periode van 3 maanden. Het hondje kan kwispelen, met zijn kop bewegen, op bepaalde kleuren reageren met extra gekwispel, etcetera. De meeste bejaarden wilden Aibo na drie maanden niet meer kwijt.

Op basis van zijn uiterlijk gedrag werden kennelijk aan het robothondje eigenschappen toegeschreven die niet onvergelijkbaar waren met die van een levend hondje. Het is duidelijk dat bij deze bejaarden de stofzuiger minder bijdroeg aan het verdrijven van gevoelens van eenzaamheid dan een apparaat in de vorm van een huisdier.

 

depressiveRobot
Een depressieve robot of een rekenmachine zonder intentionaliteit? Foto door: bamenny

 

Wij hebben de neiging intentionaliteit en een innerlijk leven toe te schrijven op basis van uiterlijke kenmerken.

Dat doen we bij mensen, maar ook bij dieren. Een robot die met de ogen knippert, kan blozen, au kan roepen, etcetera hoeft geen innerlijk leven te hebben, maar de neiging dat toe te schrijven zal lastig te onderdrukken zijn.

 

Kunnen machines moraliteit hebben?

Als we daaronder verstaan dat de moreel juiste keuzes worden gemaakt, is het antwoord wellicht ja. Twee jaar geleden was ik betrokken bij de beoordeling van een onderzoeksaanvraag die precies dit ten doel had. Gesteld, een zelfbesturende auto kan twee objecten niet op tijd vermijden, maar moet de keuze maken een mens aan te rijden of een muskusrat die  tegelijkertijd voor de bumper van de auto opdoemen. Deze auto kan zodanig worden geprogrammeerd dat hij de mens ontwijkt ten koste van de rat. Als we ervan uitgaan dat moraliteit bestaat uit het volgen van de spelregels die ons de juist keuzes laten maken, is in principe de mogelijkheid gegeven deze spelregels aan het besturingsprogramma van de zelfrijdende auto of de robot mee te geven.

 

Het idee van gedistribueerde intelligentie ontkent niet dat wij individuen zijn.

De kern is dat nieuwe kennis en nieuwe ontdekkingen steeds meer het produkt zijn van netwerken van intelligente individuen dan van losse enkelingen. Voor de tweede wereldoorlog hadden de belangrijke publicaties in Nature en Science gemiddeld minder dan 2 auteurs. De recent ontdekking van de zwaartekrachtgolven werd gemeld in een publicatie met meer dan 1000 auteurs. Het gemiddeld aantal auteurs op publicaties in Nature en Science is vandaag de dag opgelopen tot 12. Kennis, innovatie en intelligente oplossingen worden in onze steeds complexere samenleving in toenemende mate voortgebracht door teams van intelligente indivduen in plaats van door losse enkelingen. Daarbij speelt de rekenkracht en simulatiemogelijkheden van geavanceerde computers al evenzeer een belangrijke rol. Dit is wat ik gedistribueerde intelligentie heb genoemd.

 

De titel van mijn stuk (“Zij zijn ons brein”) was uiteraard een knipoog naar het beroemde boek van Dick Swaab.

Ik ben het in vele opzichten eens met zijn visie. Ik vermoed dat ook hij de titel van zijn boek “Wij zijn ons brein” eerder opvat als een metafoor dan als iets wat we al te letterlijk moeten nemen. Ik vermoed dat hij en ik het eens zijn dat de menselijke geest niet bestaat zonder het brein, dat het brein niet kan bestaan zonder signalen van de rest van het lichaam en de buitenwereld, dat de stoffering van onze hersenen tot stand komt door interacties met lichaam en buitenwereld.

 

Over de kwesties waaraan ik in enkele paragrafen in mijn stuk aandacht besteed heb, zijn boekenkasten volgeschreven.

Degenen die menen dat ik aan vele zaken onvoldoende recht heb gedaan, geef ik volmondig gelijk. Maar dit was dan ook een bij voorbaat verloren wedstrijd. De pretentie van mijn stuk was gedachten te prikkelen en tot nadenken aan te zetten, maar zeker niet om kwesties te beslechten of in alles al te letterlijk genomen te worden. Zelf zal ik nooit stemmen op een Partij voor de Robots. Al evenmin gaat mijn stem naar de Partij voor de Dieren.

Advertenties