Geschreven door: Tineke Snijders

Spinnen in het lab, swingende hersenritmes en veel discussie: we kijken terug op een geslaagde versie van de Nijmegen Lectures. In deze jaarlijks terugkerende lezingenreeks verzorgt een vooraanstaande wetenschapper op het gebied van de taalkunde drie dagen lang lezingen. Dit jaar was het de beurt aan David Poeppel. Poeppel is een zeer goede spreker, dus we werden drie dagen lang getrakteerd op heerlijk luisteren naar de nieuwste wetenschappelijke bevindingen met ruimte voor grappen tussendoor.

NijmegenLectures_2016

De titel, “(Un)conventional wisdom: Three neurobiological provocations about brain and language”, liet al zien dat David Poeppel in was voor een goed debat. De eerste dag (‘on how speech is pretty special’) ging Poeppel in op de vraag of spraak op een andere manier verwerkt wordt door de hersenen dan ander geluid. Als ‘auditief opwarmertje’ kregen we wat menselijke gillen te horen. In recent onderzoek in Poeppels’ lab luisterden mensen in de fMRI scanner naar gillen, die eerder in het lab waren opgenomen door studenten ineens een grote spin voor de neus te zetten (wie dacht dat werken in de wetenschap saai was?). Gegil bleek heel specifieke auditieve kenmerken te hebben, kenmerken die je ook bijvoorbeeld terugvindt in een auto- of brandalarm. Deze kenmerken zorgen ervoor dat de amygdala in je hersenen wordt geactiveerd, belangrijk voor de herkenning van gevaar.

Hierna besprak Poeppel uitgebreid een onderzoek waarbij hij spraak en andere geluiden gebruikt had, waarvan het auditief signaal in kleine stukjes geknipt en ‘gehusseld’ was. Hiermee toonde hij aan dat een specifieke plek in de hersenen (superieure temporale sulcus) specifiek reageert op spraak. Met Elia Formisano (Maastricht University) en Barbara Tillmann (Lyon Neuroscience Research Center) discussieerden we ’s middags over hoe gespecialiseerd die verwerking van spraak nou eigenlijk echt is.

Op dag twee ging het over hoe het ritme van de taal wordt overgenomen door het ritme van de hersenen (zie ook de blogpost Jan Mathijs die eerder op hettaligebrein.nl verscheen). David Poeppel liet nieuwe data zien waaruit duidelijk wordt dat niet alleen het (auditieve) spraakritme wordt overgenomen door de hersenen, maar ook het ‘hogere’ ritme van de taal – het ritme waarin klanken gegroepeerd worden tot woordgroepen en zinnen. Dit gebeurt alleen voor een taal die je kent, waarbij je de gecombineerde klanken ook echt interpreteert als woordgroepen of zinnen. Wanneer bijvoorbeeld Engelstaligen naar Chinees luisteren, reflecteert hun brein alleen het ritme van de ‘basisklanken’, en niet het ritme van de gecombineerde klanken (wat wel gebeurt voor Chinezen die naar Chinees luisteren). ’s Middags discussieerden we met Usha Goswami (University of Cambridge) over in hoeverre de verwerking van spraak in de hersenen ook beïnvloed wordt door geletterdheid, en met Ole Jensen (Donders Instituut) over de onderliggende hersenritmes.

De laatste dag boog Poeppel zich over ‘the maps problem’ en ‘the mapping problem’. Wetenschappers in de neurobiologie van taal brengen steeds beter in kaart welke gebiedjes in de hersenen bij taal betrokken zijn (wat gebeurt er waar), terwijl deze kaart eigenlijk nog niks vertelt over hoe het onderliggende proces precies werkt (‘maps problem’). Het ‘mapping problem’ gaat over hoe we in hemelsnaam de onderdelen van de taalkunde (klanken, woorden, structuren) kunnen ‘mappen’ op de onderdelen van de neurowetenschappen (neuronen, verbindingen). Poeppel suggereert dat het op operationeel niveau wellicht makkelijker is om taalkunde en neurowetenschappen bij elkaar te brengen, en noemt als voorbeeld de rol van oscillaties bij het segmenteren van spraak. Later op de dag was er een levendige discussie met Norbert Hornstein (University of Maryland) en Peter Hagoort, over de rol van taalkunde bij het bestuderen van taal in het brein, en hoe we kunnen proberen taalkunde en neurowetenschappen dichter bij elkaar te brengen.

Food for thought, dus!

Advertenties