Veel onderzoek heeft inmiddels aangetoond dat ons brein taal verwerkt door vooruit te denken: onze hersenen voorspellen wat we zometeen gaan horen of lezen op basis van eerdere ervaringen met de taal (zie ook:’Je brein als superheld‘). Minder bekend is of we dit voorspellende mechanisme ook gebruiken als we een vreemde taal verwerken. Sommige onderzoekers beweren dat vreemde-taalverwerking fundamenteel anders is dan moedertaalverwerking: ze beargumenteren dat het verwerken van een tweede taal te langzaam gaat om voorspellingen te kunnen doen op basis van de binnenkomende woorden tijdens het luisteren. Anderen zeggen dat het taalverwerkingsmechanisme in principe hetzelfde is, en dat het uitblijven van voorspellingen in een tweede taal verklaard kan worden door een gebrek aan eerdere taalervaringen. Om erachter te komen welke van deze twee verklaringen de juiste is, hebben we onderzocht of leerders van het Nederlands in staat zijn om voorspellingen te doen over de rest van de zin op basis van de informatie in het hoofdwerkwoord. We hebben daarbij leerders van het Nederlands onderzocht met verschillende moedertalen die variëren in hoe sterk hun werkwoordssysteem lijkt op het Nederlands. Kijk maar eens naar het volgende plaatje:

Geertje2December

Als je moest beschrijven waar de fles is in dit plaatje, dan zou je waarschijnlijk zeggen dat de fles op de tafel staat. Met dat antwoord geef je eigenlijk meer informatie dan alleen de locatie van de fles. Met het werkwoord staan geef je niet alleen aan waar de fles zich bevindt, maar ook wat de positie is van de fles ten opzichte van de tafel: was de fles op zijn kant afgebeeld, dan had je waarschijnlijk gezegd dat hij op tafel lag. Het Duits maakt eenzelfde soort onderscheid als het Nederlands: ze zeggen stehen waar wij staan zouden gebruiken, en liegen waar wij liggen zouden gebruiken. Er zijn echter ook talen die de positie van voorwerpen helemaal niet altijd markeren bij het beschrijven van een locatie. Moedertaalsprekers van het Engels en Frans zouden bijvoorbeeld op bovenstaande vraag antwoorden dat de fles op de tafel is (la bouteille est sur la table/the bottle is on the table).

Wij hebben Duitse, Franse en Engelse leerders van het Nederlandse laten kijken naar een scherm met meerdere plaatjes (staande en liggende voorwerpen op tafels en stoelen) terwijl ze Nederlandse zinnen hoorden, zoals “de jongen zette kort geleden een fles op de tafel. Met een eye-tracker hebben we gemeten of mensen vaker keken naar voorwerpen die qua positie correspondeerden met het werkwoord, nog voordat ze wisten welk voorwerp genoemd ging worden. Met andere woorden, keken mensen meer naar staande voorwerpen zodra ze “De jongen zette…” hoorden, en juist meer naar liggende voorwerpen bij het horen van De jongen legde…”?

We vonden dat Franse en Engelse leerders van het Nederlands niet vooruitkeken naar voorwerpen die correspondeerden met het werkwoord, maar dat Duitse leerders van het Nederlands wel degelijk voorspellingen maakten over de positie van het komende voorwerp op basis van de werkwoordsinformatie. Deze resultaten leveren bewijs dat een vreemde taal verwerkt wordt met hetzelfde voorspellende verwerkingssysteem als je moedertaal, en dat de capaciteit om voorspellingen te genereren afhangt van je eerdere ervaringen. Bijzonder belangrijk zijn de ervaringen die je hebt met het gebruiken van specifieke informatie (in dit geval de positie van objecten) in je moedertaal.

Geschreven door: Geertje van Bergen

 

 

Advertenties