Ik werk nu 18 maanden op het Max Planck Instituut, en in die tijd heb ik 147 verschillende proefpersonen getest in 4 verschillende experimenten (en nog eens 23 voor een ander experiment in Londen). Dat is ongeveer negen en een halve proefpersoon per maand – een aantal dat ergens midden houdt tussen het aantal keer dat ik ga sporten en het aantal keer dat ik gewoon televisie kijk en koekjes eet (ik laat jou beslissen wat op welke plaats staat).

147 proefpersonen. Dat zijn er een heleboel. Dat betekent dat ik 147 keer heb gezegd: ‘bedankt voor het meedoen met het experiment’ (en dus 147 keer ben vergeten of het de experiment of het experiment is). En ook dat ik dus 147 keer heb geluisterd naar post-rock terwijl ik de proefpersonen klaar maak voor het experiment. Het bekent dat ik 147 keer heb geluisterd naar dezelfde stimuli –  zo vaak dat ik de stem van de vrouw die de woorden heeft ingesproken inmiddels beter herken dan de stem van mijn vriendin. 147 proefpersonen betekent dat ik 147 keer heb gezegd: ‘druk op de linker knop als het woord correct is, en en op de rechter knop als het woord incorrect is’. 147 keer is zo vaak dat ik het inmiddels altijd op dezelfde, automatische manier zeg en het voelt alsof ik een liedje zing. 147 proefpersonen waarmee ik conversaties heb gevoerd waarin ik dingen vraag als ‘Studeer je hier in Nijmegen?’ ‘Wat studeer je?’ ‘Is mijn experiment leuker dan het experiment van mijn kamergenootje?’ [sowieso]. En in diezelfde gesprekken vragen proefpersonen dingen als ‘Kom jij uit Duitsland? Oh, je bent Engels, ik dacht dat je accent meer Duits klonk’ ‘Hoe lang woon je al in Nijmegen?’ ‘Kun je Scheveningen uitspreken?’ [dat kan ik best wel, ja] ‘Is het Verenigd Koninkrijk echt zoals Geordie Shore’ [dat is het best wel, ja]. Ik vind het fijn dat ik mijn Nederlands kan oefenen met mijn proefpersonen, hoewel ik hoop dat ik in het dagelijkse leven niet vaak hoeft te zeggen: ‘lees en onderteken de deelnemersverklaring alsjeblieft, anders kunnen we niet verder’ of ‘Je hoeft niet bang te zijn hoor, deze elektroden die ik op je hoofd plak zullen je niet elektrocuteren’.

Gwilym met een proefpersoon. Foto: Nout Steenkamp Fotografie
Gwilym legt zijn experiment uit aan een proefpersoon. Foto: Nout Steenkamp Fotografie

Het is grappig om te bedenken hoe anders ik en mijn proefpersonen het experiment zien. Voor mijn proefpersonen is het een gek, misschien een tikkeltje saai taakje dat ongeveer een uur duurt. Het is geen slechte manier om een beetje geld te verdienen – het is twee drankjes in het café hier op de campus, of misschien drie als je genoegen neemt met Jupiler in plaats van Brugse Zot – en je had toch die twee uur tussen colleges om op te vullen. Je vergeet het weer snel: een week later herinnert een proefpersoon zich misschien vaag dat hij of zij vorige week een experiment heeft gedaan, maar niet echt waar het over ging. Behalve dan dat er een hoop Japanse woorden voorbij kwamen en dat die gekke badmuts die ze op moesten hun hoofd deed oplichtten als een kerstboom. En er was iets met dat met je ogen knipperen je hersengolven er gek uit laat zien.

Voor mij, echter, is het experiment ontzettend belangrijk. Mijn verdere carrière hangt af van het onderzoek dat ik hier doe, en het onderzoek dat ik doe hangt volledig af van de aardige mensen die op komen dagen om deze gekke, misschien een tikkeltje saaie taakjes te doen, zelfs als het 9 uur ’s ochtends is en het buiten regent.

Ik heb over de resultaten van mijn onderzoek gepraat op allerlei plekken; van een prachtige oude kamer met 18e eeuwse olieverfschilderijen in het KNAW in Amsterdam, tot een houten boot op een rivier in Tokyo vanwaar we vuurwerk konden zien en ik probeerde te verbergen dat ik shochu had geknoeid op mijn overhemd. Zonder mijn proefpersonen had ik al deze dingen nooit gezien; zonder mijn proefpersonen zou ik niet in staat zijn om dit werk te doen waarvan ik hou (of het werk dat ik verschrikkelijk frustrerend vind, als je het me vraagt wanneer ik elektrodes sta te poetsen met een tandenborstel of een onvindbare typefout in mijn code probeer te vinden).

Op deze blog praten we vaak over het onderzoek dat we doen op het Max Planck instituut, en soms haalt dat onderzoek zelfs het nationale nieuws. Dat kan ertoe leiden dat het lijkt als of wetenschappers zichzelf het belangrijkste vinden in het onderzoek.. maar ik hoop dat je nu weet dat achter ieder onderzoek dat wij doen op het MPI een wetenschapper zit die stilletjes heel erg dankbaar is voor de proefpersonen die hun experimenten doen. Vooral die proefpersonen die komen opdagen als het 9 uur ’s ochtends is en buiten regent.

Geschreven door: Gwilym Lockwood (klik hier als je de post wil lezen in het Engels)
Vertaald door: Lotte Schoot

Advertenties