Voor sommige mensen lijkt het veel moeilijker om een tweede taal te leren dan voor anderen. Waarom is dat eigenlijk zo? Daniel Sharoh, promovendus in de onderzoeksgroep van Peter Hagoort, vertelt. 

Geschreven door: Daniel Sharoh
Vertaald door: Lotte Schoot

Als je naar reclamespotjes op radio of televisie luistert lijkt het soms of het moeilijkste aan een tweede taal leren is om te bepalen welk programma je moet kopen dat je helpt om op miraculeuze wijze die taal te leren. Het lijkt wel alsof je simpelweg de juiste sleutel kunt kopen om de taalgenie die binnenin je zit vrij te laten. Als je daar toch naar zoekt, kun je net zo goed kijken wat het kost om je haar terug te laten groeien dit weekend, of om 20 kilo te verliezen voordat het juni is, of wat je ook maar wilt. Zo simpel is het namelijk niet, natuurlijk.

Mysterieus genoeg lijkt het voor sommige mensen wel heel makkelijk te zijn om een tweede taal te leren. Heeft dat misschien te maken met het land waarin je geboren bent? In Nederland zegt bijna 9 op de 10 mensen over zichzelf dat ze in ieder geval één extra taal spreken naast het Nederlands (als je hier meer over wilt lezen, klik dan hier). Maar als ik een willekeurig ander land zou kiezen, zoals de Verenigde Staten, zou ik hele andere resultaten krijgen. Daar zijn veel minder mensen die naast het Engels nog een tweede taal spreken. Dat lijkt niet aan educatie te liggen: veel Amerikaanse kinderen krijgen bijvoorbeeld wel Spaans op school. Hoe komt het dan dat volwassenen die taal niet opgeven als tweede taal?

Het zou misschien kunnen zijn dat het voor Amerikanen minder nodig is om een tweede taal te spreken dan voor Nederlanders, en dat ze daardoor minder gemotiveerd zijn om een tweede taal te leren. Toch is dat niet altijd het geval; zelfs als je een goede reden hebt, kan het nog heel moeilijk zijn om een tweede taal te leren. Ikzelf ben nog niet zo lang geleden van Amerika naar Nederland verhuisd, dus ik heb een goede reden om Nederlands te leren. Toch vind ik het nog steeds heel moeilijk om onderscheid te maken tussen de klanken van het Nederlands, laat staan om ze te combineren tot woorden en zinnen en die uit te moeten spreken (of op te schrijven: dit stukje heb ik in het Engels geschreven en is door iemand anders vertaald naar het Nederlands)! Het woord ‘uit’ bijvoorbeeld, kan ik echt alleen maar uitspreken als ‘out’. Nederlanders kijken me dan  altijd aan met zo’n blik van medelijden, alsof ik een erge ziekte onder de leden heb.

Het feit dat ik het moeilijk vindt om nu Nederlands te leren heeft misschien ook te maken met mijn leeftijd. Twee factoren waarvan vaak gezegd wordt dat ze een belangrijke invloed hebben op hoe moeilijk het is om een taal te leren zijn de leeftijd waarop je begint met het leren van een taal en de context waarin je die taal leert. Hoe eerder je begint het let leren van een tweede taal, hoe groter de kans dat je die taal kunt aanleren op moedertaal niveau. En helaas, net zoals je alleen blijvend kunt afvallen door je eet- en bewegingspatroon aan te passen, kun je een tweede taal op latere leeftijd alleen leren door hard te werken, veel lessen te nemen en te luisteren naar of te praten met mensen die de taal vloeiend spreken.

Er wordt ook onderzoek gedaan naar de neurobiologische basis van het leren van taal. Hoe veranderen je hersenen om een set van kenmerken die samen een taal vormen te representeren – en is dit proces anders voor een eerste dan voor een tweede of derde taal? Waarom zijn sommige talen makkelijker te leren voor iemand dan andere?

De hersenen van een Engelstalige moedertaalspreker die Hebreeuws leert: Rood zijn gebieden die actief zijn tijdens het spreken van Engels en Hebreeuws, blauw alleen tijdens Engels en geel alleen tijdens Hebreeuws.  Daniel Sharoh, et al., (2014, August)*. Neural Correlates of Emerging Readers in L2: A Bi-directional Approach Using Hebrew and English.* Poster session at Society for the Neurobiology of Language,  Amsterdam, NL. NIH Grant HD-067364
De hersenen van een Engelstalige moedertaalspreker die Hebreeuws leert: Rood zijn gebieden die actief zijn tijdens het spreken van Engels en Hebreeuws, blauw alleen tijdens Engels en geel alleen tijdens Hebreeuws.

Voordat ik begon als promovendus in Peter Hagoort’s departement heb ik onderzoek gedaan naar deze vragen in New Haven (Haskins Laboratories). Ik maakte deel uit van een heel groot project (het is nog steeds bezig, voor meer informatie klik hier). In dit project wordt gebruik gemaakt van functionele MRI en nog veel meer metingen om uit te vinden hoe netwerken van neuronen in je brein reageren wanneer je een tweede taal leert die heel anders is dan je moedertaal. Wij keken in dit project naar Engels en Hebreeuws, omdat dit zo’n verschillende talen zijn.

Een andere vraag die we hebben gesteld is hoe hersenen van mensen die Hebreeuws of Engels als eerste taal hebben geleerd reageren als ze Engels of Hebreeuws als tweede taal leren. We wilden ook weten of het brein van mensen die een tweede taal bijna net zo goed spreken als hun eerste taal, lijkt op het brein van mensen die die taal als eerste taal hebben geleerd. Als je Engels als eerste taal hebt, beïnvloedt dit dan de hersenactiviteit tijdens het leren van het Hebreeuws? En verandert dit naar mate je beter wordt in je tweede taal?

Helaas zijn er nog geen antwoorden op al deze vragen: meer onderzoek is nodig. Toch kan ik wel zeggen dat het goed is om de neurobiologische basis van het leren van een tweede taal te bestuderen in plaats van alleen het gedrag te observeren van groepen mensen die het leren van een tweede taal moeilijk of makkelijk lijken te vinden. Het bestuderen van het brein is namelijk het bestuderen van het mechanisme dat leidt tot veranderingen in gedrag.

Advertenties