'Mr Pipo Think' by Nevit Dilmen
Mr Pipo Think‘ by Nevit Dilmen

Hersenonderzoek is ontzettend populair: boeken over hersenen zijn prominent aanwezig in de top tien non-fictie, in iedere wetenschapsbijlage staat wel iets over een nieuwe neurale verklaring van bepaald gedrag en universiteiten kunnen de enorme toeloop van studenten bij studies als ‘psychobiologie’ bijna niet meer aan. Er zijn de laatste tijd echter ook kritische geluiden te horen. Filosofen vinden dat hersenonderzoekers niets kunnen zeggen over de vrije wil of bewustzijn en een dode zalm in een hersenscanner blijkt ook een actief emotiecentrum te hebben. Ieder jaar worden er tienduizenden wetenschappelijke artikelen over hersenonderzoek gepubliceerd, maar weten we nu echt beter hoe de hersenen werken?

Marc Slors, hoogleraar in de ‘Philosophy of Mind’, en ik vonden het beiden opvallend dat deze problemen bestonden, en we besloten samen aan een oplossing te werken. In ons recente artikel in Consciousness & Cognition betogen we dat om al die geproduceerde kennis werkelijk te kunnen integreren, het noodzakelijk is om zorgvuldiger om te gaan met de concepten die neurowetenschappers gebruiken.

Op dit moment gaat een onderzoek vaak als volgt: een onderzoeker wil bijvoorbeeld ‘aandacht’ onderzoeken. Zij kiest vervolgens een experimentele ‘taak’ om verschillende condities te creëren: eentje met aandacht, en eentje zonder aandacht. Vervolgens meet zij de hersenactiviteit van proefpersonen tijdens het uitvoeren van de taak, analyseert de resultaten en concludeert dat het een specifiek netwerk van hersengebieden betrokken is bij aandacht.

Wij betwijfelen echter of deze conclusie wel geldig is. Eigenlijk zou er eerst een cruciale vraag moeten worden gesteld: wat bedoelen we eigenlijk met ‘aandacht’? Is de ‘aandacht’ die zij onderzoekt wel hetzelfde als de ‘aandacht’ die een andere wetenschapper test? De keuze voor de experimentele taak is hierbij van groot belang, omdat die uiteindelijk bepaalt welke cognitieve functie precies gemanipuleerd wordt. Ook maken wetenschappers vaak gebruik van ‘terugredeneren’: als ze een hersengebied vinden dat ze niet hadden verwacht, zoeken ze in de bestaande wetenschappelijke literatuur waarmee het eerder geassocieerd werd. Maar dit kan problematisch zijn als een hersengebied meerdere functies ondersteunt: hoe weet de onderzoeker welke ervan relevant is voor haar studie? Als gevolg van deze verwarring is het niet goed mogelijk om resultaten van verschillende studies te integreren.

Het niet-systematische gebruik van cognitieve concepten zoals aandacht heeft ook gevolgen voor de communicatie van wetenschappelijke resultaten naar het grote publiek. Grote claims zoals ‘je onbewuste bepaalt wat je kiest’ hangen volledig af van de betekenis van ‘onbewust’ en ‘kiezen’ die een bepaalde onderzoeker hanteert. Ook wordt er in een experimentele taak vaak maar een klein onderdeel van een concept als ‘kiezen’ getest, bijvoorbeeld de keuze om al dan niet de rechter wijsvinger op te tillen op een bepaald moment. Dat is iets heel anders dan de notie van kiezen die belangrijk is bij bijvoorbeeld het kiezen van een studie. Maar zolang wetenschappers de concepten alleen impliciet definiëren, kan er eigenlijk geen discussie gevoerd worden over de waarheid van de wetenschappelijke conclusies en de relevantie ervan voor ons dagelijks leven.

Wij geloven dat het enthousiasme over de snelle vooruitgang van kennis in de neurowetenschappen terecht is. Echter, wij zijn ervan overtuigd dat het vakgebied niet alleen baat heeft bij nieuwe inventieve methoden, maar ook erg zou kunnen profiteren van zorgvuldiger gebruik van de terminologie. Dit maakt de integratie van wetenschappelijke studies gemakkelijker en zorgt er daarnaast voor dat er een zinvolle discussie gevoerd kan worden over de impact van de neurowetenschappen op de maatschappij.

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort. De referentie naar het artikel: Francken J.C. & Slors, M. (2014). From Commonsense to Science, and Back: The Use of Cognitive Concepts in Neuroscience. Consciousness & Cognition 29: 248-258. Je kunt het artikel hier lezen.

Advertenties