Op de derde dag van de Society for Neurobiology of Language conferentie stond een debat op het programma met als titel: wat is ‘neurobiologie van taal’ eigenlijk? Dat lijkt op het eerste gezicht misschien een hele rare vraag, aangezien de aanwezige wetenschappers hun leven hebben gewijd aan juist dat onderzoeksveld! Zouden ze dan ondertussen geen idee hebben waar het eigenlijk over gaat? Het antwoord is ja, en nee. Ja, omdat ze allemaal belangrijk onderzoek doen dat over een klein onderwerpje gaat binnen de neurobiologie van taal, bijvoorbeeld over tweetaligheid, hoe concepten zijn opgeslagen in de hersenen, of over taalontwikkeling bij kinderen. Tegelijkertijd is neurobiologie van taal’ zó’n brede en overkoepelende term, dat er niet echt een duidelijke definitie van bestaat. Ja oke, we bestuderen neurobiologie (= de hersenen) en taal. Maar wat bedoelen we nu precies als we zeggen dat ons doel is te begrijpen wat ‘de neurobiologische processen die ten grondslag liggen aan het spreken en begrijpen van taal’ zijn?

Steven Small en Angela Friederici, twee vooraanstaande wetenschappers in het vakgebied, gaven de aftrap van het debat waaraan de hele zaal mocht deelnemen. En wat bleek? Er bestaan twee heel verschillende ideeën van wat de neurobiologie van taal is.

Angela-D.-Friederici-B

Friederici betoogde dat het doel van de neurobiologie van taal is de neurale en biologische basis te vinden van de theorieën over taal die linguisten (taalonderzoekers) in de afgelopen decennia hebben ontwikkeld. Er zijn eigenlijk twee stappen te onderscheiden: eerst moet je een goed model maken van hoe bijvoorbeeld grammatica werkt, onder andere door de verschillende onderdelen en aspecten ervan helder te definieren en te zien hoe deze interacteren in de tijd. Verschillende onderzoekers kunnen elk hun eigen model ontwikkelen, en welk model het beste is hangt uiteindelijk af van hoe goed het kan beschrijven en voorspellen hoe taal werkt. Dit is de ‘linguistische stap’. De tweede stap is de neurobiologische basis van het model onderzoeken door naar de hersenen te kijken.

Small had een heel ander idee van wat neurobiologie van taal is. Hij betoogde dat het niet gaat om dat je iets in de hersenen meet, maar om dat je de juiste vragen stelt – vragen op het niveau van de hersenen, in plaats van vragen op het niveau van taal. ‘Wat is de neurobiologie van grammatica’ is dus volgens Small geen NBL vraag, maar een linguistische vraag. Opzich vindt hij dat soort vragen belangrijk, en als anderen ze interessant vinden moeten ze ze vooral onderzoeken, maar hij is het niet met Friederici eens dat je dit soort onderzoek ‘neurobiologie van taal’ moet noemen.

Steve-Small

Wat voor soort vragen vindt Small dan wel neurobiologie van taal vragen? Hij vindt dat we moeten beginnen met onderzoeken hoe de hersenen werken. Hypothesen moeten gaan over biologische processen die betrokken zijn bij taal, niet andersom. Kennis over hoe de hersenen werken kan vervolgens linguistische theorieën veranderen, verbeteren en verfijnen. Maar het kan ook zijn dat een model helemaal niet blijkt te kloppen met de neurobiology. Small: ‘Take into account the architecture of the brain to understand what kinds of processes can be in your theory’. Voor Small is taal iets heel veelomvattends: taalgedrag van echte mensen in de echte wereld. Linguistische modellen vindt hij slechts waardevol als ze échte taal beschrijven, in plaats van een experimenteel effect dat alleen voorkomt in het laboratorium.

Friederici vindt dit veel te onduidelijk, volgens haar gaat Smalls definitie meer over communicatie in het algemeen dan over taal. Zij wil juist eerst taal goed modelleren en opdelen in verschillende stukjes voordat ze naar de hersenen gaat kijken. Want als je weet hoe het brein werkt, volgt daar niet vanzelfsprekend uit dat je complexe cognitieve functies zoals taal begrijpt.

Een opmerking uit het publiek vatte het probleem goed samen en verbond het terloops met de openingslezing van Pim Levelt: ‘De discussie komt voort uit het feit dat we het oneens zijn over de definitie van ‘taal’. Er zijn twee opties: de ene is om specifieker te zijn, maar dan verliezen we misschien juist dat waarin we geïnteresseerd zijn. De tweede is om alles onder de noemer ‘taal’ te scharen, maar dan eindigen we met betekenisloos onderzoek. Want wat leert het ons als het hele brein betrokken is bij taal? Eigenlijk zitten we nog steeds middenin het ‘localism’ vs. ‘holism’ debat dat de geschiedenis van de psycholinguistiek kenmerkt’.

Jolien Francken is promovenda in het Neurobiology of Language Department van Peter Hagoort

Advertenties