Onze dagelijkse gesprekken lijken op het eerste gezicht te draaien om taal, woorden en zinnen. Maar als je er langer bij stilstaat, blijkt dat er meer bij komt kijken dan alleen het formuleren van grammaticaal correcte boodschappen. Stel je voor, je loopt op straat en iemand vraagt je waar zij de supermarkt kan vinden. Hoe reageer je? Je reactie is afhankelijk van het vreemde accent van je gesprekspartner, van het feit dat ze haast heeft, of met de auto is. Al deze factoren spelen een rol in de manier waarop je antwoordt: je reageert in simpelere bewoordingen, of sneller, of je geeft instructies hoe er met de auto te komen.

Het lijkt er dus op dat we tijdens het communiceren rekening houden met de vermeende kennis van onze gesprekspartner: dat wat we denken dat de ander weet. Arjen Stolk onderzocht of deze vermeende kennis van onze gesprekspartner daadwerkelijk relevant is voor communicatie.

Zijn hypothese was dat vermeende kennis van onze gesprekspartner wordt gebruikt door ons brein, zowel tijdens de selectie van een communicatieve boodschap (vergelijkbaar met het formuleren van een zin) als tijdens de interpretatie ervan (het begrijpen van een zin). Hoe kun je die hypothese testen? Als deze kennis in beide gevallen wordt gebruikt, verwacht je zowel tijdens selectie als communicatie hetzelfde patroon, oftewel een overlap, van hersenactiviteit.

A) In het computerspel dienden proefpersonen gezamenlijk met hun figuren een doelopstelling na te maken: in dit geval moest de blauwe cirkel in de linker bovenhoek komen te staan, en de oranje driehoek in de rechter onderhoek. Deze doelopstelling was echter alleen zichtbaar voor de ‘blauwe’ speler (links). Zie de twee computerschermpjes bovenaan: de blauwe speler ziet de doelopstelling, de oranje speler (rechts) ziet een leeg scherm. De blauwe speler kon zijn blauwe cirkel op het computerscherm bewegen, wat de oranje speler kon observeren (zie de twee computerschermpjes onderaan). De oranje speler probeerde op haar beurt aan de hand van die bewegingen te interpreteren waar en hoe zij haar oranje driehoek moest plaatsen. De blauwe speler diende dus in gedachten bewegingen te selecteren waarvan hij dacht dat ze begrepen konden worden door de oranje speler. In dit computerspel zijn er geen vooraf juiste oplossingen: de betekenissen van de bewegingen zijn afhankelijk van hoe de ander ze interpreteert.

Om de hypothese te testen lieten de onderzoekers proefpersonen in tweetallen een non-verbaal computerspel spelen waarin ze met elkaar dienden te communiceren (figuur A). Ze konden hierbij geen bestaande taal gebruiken. Daarnaast moesten er telkens nieuwe communicatieve boodschappen geformuleerd worden, net als tijdens een echte dagelijkse conversatie. Op die manier ontwikkelden de proefpersonen gezamenlijk een nieuwe (non-verbale) ‘taal’.

B) Gebieden in de rechter temporaal kwab, zie bovenste rij, en in de (pre-)frontaal kwab, zie onderste rij, waren actief tijdens selectie (linker kolom) en interpretatie van een communicatieve boodschap (rechter kolom).

Tijdens het spelen van het computerspel werd hun hersenactiviteit gevolgd met een MEG-apparaat (magnetoencephalografie, wat locatie en timing van hersenprocessen signaleert). Uit de hersensignalen bleek dat zowel tijdens de selectie van de communicatieve boodschap als tijdens de interpretatie ervan dezelfde patronen van hersenactiviteit te zien waren in dezelfde hersengebieden (figuur B).

De hypothese werd dus bevestigd: de vermeende kennis van de gesprekspartner is van belang voor communicatie. Daarnaast bleken deze hersengebieden al actief voordat de communicatieve boodschappen geselecteerd en geïnterpreteerd werden. Deze laatste bevinding wijst erop dat we in het dagelijks leven zo efficiënt kunnen communiceren doordat onze hersenen de vermeende kennis van onze gesprekspartners continu gereed houden om te gebruiken.

Wanneer je de vrouw die je de weg naar de supermarkt hebt gewezen weer ziet, houd je jouw kennis over jullie vorige ontmoeting gereed en ga je ervan uit dat zij deze kennis ook heeft. Op deze manier kun je haar uitspraak “Er was een eenrichtingsweg…” beter begrijpen.  Deze uitspraak zou zonder de vermeende kennis van je gesprekspartner uit het niets lijken te komen.

Arjen Stolk is PhD student in de onderzoeksgroep van Ivan Toni op het Donders Institute for Brain, Cognition and Behavior, Centre for Cognitive Neuroimaging. Hij voerde dit onderzoek uit in samenwerking met Peter Hagoort. Het artikel is gepubliceerd in het tijdschrift PNAS.

Advertenties